Dat het – binnen bepaalde grenzen – toegestaan is om journalisten te vergoeden in auteursrechten, kunnen we al verklappen. Maar daarmee is de kous niet af: uitgevers zitten met een aantal praktische, strategische en misschien zelfs ethische vragen. Met de hulp van de experts van advocatenkantoor DE BANDT proberen we die zo helder mogelijk te beantwoorden.
De essentie:
- Uitgevers mogen journalisten maar ook andere creatieve profielen binnen de organisatie deels uitbetalen in auteursrechten, aan gunstige fiscale voorwaarden.
- Daar is niet per se een apart, maar bij voorkeur wel een schriftelijk contract voor nodig.
- De uitbetaling in auteursrechten mag maximaal 77.220 euro of 30% van de totale vergoeding bedragen.
- Uitgever en journalist spreken onderling af hoe de uitbetaling precies verloopt: per productie of gewoon via een jaarlijks of halfjaarlijks forfait.
- Het fiscaal kader maakt geen onderscheid tussen journalisten in loondienst en zelfstandige journalisten.
- Opgelet: het is niet toegestaan om een bestaand loon zomaar om te zetten in een auteursrechtvergoeding.
Q&A met Karel Janssens en Mira Matagne (DE BANDT):
Is het (in alle gewesten) toegestaan om journalisten uit te betalen in auteursrechten?
Regelgeving opgenomen in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) laat media toe hun journalisten uit te betalen in auteursrechten. Aangezien het hierbij om federale regels gaat, geldt dat voor de drie Belgische gewesten.
Als alle voorwaarden vervuld zijn, is het mogelijk om de inkomsten uit de overdracht of licentie van auteursrechten als roerende inkomsten te kwalificeren. Daar hoort ook een gunstig fiscaal kader bij.
Wat zijn de voordelen van dit systeem voor uitgevers en journalisten?
Het regime geeft uitgevers de kans om een fiscaal efficiëntere vergoedingsstructuur uit te werken. Als de vergoeding correct wordt gekwalificeerd als auteursrechtvergoeding, zijn op dit deel van de verloning geen werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid verschuldigd.
Mits naleving van de voorwaarden kan het systeem voor de journalist resulteren in een hoger netto-inkomen. Aan dit deel van de inkomsten zijn geen socialezekerheidsbijdragen verbonden.
Wat zijn de nadelen van dit systeem voor uitgevers en journalisten?
Voor uitgevers gaat het om een bijkomende administratieve last in de vorm van een verplichting tot inhouding en aangifte van de roerende voorheffing. Voor journalisten betekent de afwezigheid van socialezekerheidsbijdragen dat er op dit deel van de inkomsten geen sociale rechten (zoals pensioen- of werkloosheidsrechten) worden opgebouwd.
Beide partijen moeten daarnaast een risico op fiscale herkwalificatie vrezen. Na het niet naleven van de wettelijke voorwaarden of wanneer de fiscus de kwalificatie betwist, gelden de betrokken inkomsten toch als beroepsinkomsten. Die worden vervolgens belast aan progressieve belastingtarieven, eventueel vermeerderd met boetes. Herkwalificatie kan bovendien socialezekerheidsgevolgen inhouden, met alsnog te betalen bijdragen en mogelijk ook sancties.
Nog een nadeel is de juridische onzekerheid die volgt uit de recente wetswijzigingen, de evoluerende administratieve praktijk en de verhoogde aandacht van fiscale en sociale inspectiediensten.
Welke voorwaarden zijn van toepassing?
De voorwaarden zijn opgelijst in artikel 17, §1, 5° van het WIB 92. Het moet gaan om:
- inkomsten verkregen uit de overdracht of licentie van auteursrechten of naburige rechten door de oorspronkelijke rechthebbende (of diens erfgenamen of legatarissen);
- die betrekking hebben op originele werken van letterkunde of kunst of op prestaties van uitvoerende kunstenaars;
- waarbij de overdracht of licentie gebeurt met het oog op een exploitatie of daadwerkelijk gebruik door de verkrijger, licentienemer of derde; en
- waarbij de oorspronkelijke rechthebbende over een kunstwerkattest beschikt of, bij gebrek daaraan, de rechten worden overgedragen of in licentie gegeven met het oog op een mededeling aan het publiek, een publieke uitvoering of reproductie.
Welke belastingen gaan hiermee gepaard?
Inkomsten die aan de voorwaarden voldoen, genieten een gunstige fiscale behandeling. Ze worden belast aan een aanslagvoet van 15% na toepassing van een kostenaftrek (artikel 171, 2°bis WIB 92).
Hier horen wel een aantal plafonds bij. Bij overschrijding daarvan kan een herkwalificatie als beroepsinkomen volgen.
Hoeveel mag een uitbetaling in auteursrechten maximaal bedragen?
Dit fiscaal gunstregime is onderworpen aan verschillende plafonds (art. 37, tweede lid WIB 92). Die zijn cumulatief van toepassing en bovendien afhankelijk van de specifieke omstandigheden.
- Relatief plafond: wanneer een auteursrechtvergoeding wordt betaald naast andere prestaties, mag die niet meer dan 30% van de totale vergoeding bedragen (met een overgangsregeling voorzien in artikel 551 WIB 92).
- Absoluut plafond: een auteursrechtvergoeding mag het jaarlijks geïndexeerde maximumbedrag niet overschrijden. Voor inkomstenjaar 2026 is dat €77.220.
- Gemiddeld inkomensplafond: het gemiddelde bedrag van inkomsten uit auteurs- en naburige rechten over de vier voorgaande belastbare tijdperken (berekend vóór toepassing van het relatief en absoluut plafond) mag het jaarlijks geïndexeerde maximumbedrag (2026: €77.220) niet overschrijden. Anders worden álle betrokken inkomsten belast als beroepsinkomen.
Hoe kijkt de fiscus concreet naar het 30%-plafond?
Een ruling voor journalisten van de Dienst Voorafgaande Beslissingen leert dat het relatieve plafond van 30% niet noodzakelijk op de volledige auteursrechtvergoeding van toepassing is.
De fiscus aanvaardt een onderscheid tussen:
- de eerste exploitatie (bv. eerste publicatie), die samenhangt met de prestatie en dus binnen het 30%-plafond valt; en
- latere exploitaties (zoals hergebruik of publicatie op andere kanalen), die geen bijkomende prestatie vereisen en daarom buiten dat plafond kunnen vallen.
Dat kan de vergoedingsstructuur aanzienlijk beïnvloeden. Voorwaarden zijn wel dat de verschillende exploitaties aantoonbaar zijn, de vergoeding economisch onderbouwd is en contracten en facturatie het onderscheid duidelijk weerspiegelen – in de praktijk wellicht via een opsplitsing van vergoedingen.
Is hier een apart contract voor nodig?
In de praktijk is het aangewezen om elke overeenkomst rond de overdracht of licentie van auteursrechten schriftelijk vast te leggen. Daar komen een aantal wettelijke vereisten bij kijken, waarvan de concrete toepassing kan variëren naargelang de context (artikel XI.167 Wetboek van Economisch Recht).
Ook vanuit fiscaal oogpunt is een schriftelijk contract essentieel. Dat legt immers een duidelijk verband vast tussen de vergoeding en de daadwerkelijk overgedragen of gelicentieerde werken. Bij een controle door de fiscus geldt het als bewijsstuk.
Hoewel een contract dus onmisbaar is, hoeft het niet noodzakelijk om een afzonderlijke verbintenis te gaan. Op voorwaarde dat de relevante clausules voldoende duidelijk en specifiek zijn, mogen deze afspraken deel uitmaken van de bestaande overeenkomst tussen uitgever en journalist.
Mag je een bestaand loon zomaar omzetten in auteursrechten?
Constructies van loonconversie die geen economische rechtvaardiging hebben, kunnen worden betwist op basis van de algemene antimisbruikbepaling (artikel 344, §1 WIB 92). Er is dus een fiscaal risico mee verbonden.
Auteursrechtvergoedingen zijn doorgaans beter verdedigbaar wanneer ze betrekking hebben op nieuwe of opnieuw gevaloriseerde rechten, eerder dan op een loutere omzetting van een bestaand loon.
Hoe verloopt de uitbetaling precies: per geproduceerd journalistiek item of eenmaal per (half) jaar?
De wet schrijft geen specifieke vergoedingsmethode voor. Wel moet de vergoeding steeds een duidelijk verband vertonen met de overdracht of licentie van auteursrechten op concrete, auteursrechtelijk beschermde werken.
In de praktijk kan de uitbetaling dus per individueel werk gebeuren, maar ook in de vorm van een forfaitair bedrag dat het aandeel van het verrichte creatieve werk weerspiegelt. In dat geval is het aangewezen om het forfait op een redelijke en verdedigbare wijze te onderbouwen, zodat het in overeenstemming blijft met de economische realiteit en de wettelijke voorwaarden.
Wie komt ervoor in aanmerking? Enkel journalisten, of ook andere profielen binnen een mediabedrijf?
De voorwaarden uit artikel 17, §1, 5° van het WIB 92 stellen in de eerste plaats dat er sprake moet zijn van een auteursrechtelijk beschermd werk. Die vereiste veronderstelt dat het werk een concrete vorm heeft en een voldoende mate van originaliteit vertoont. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie houdt originaliteit in dat het werk de uitdrukking vormt van vrije en creatieve keuzes van de auteur, waardoor het diens persoonlijkheid weerspiegelt.
De bijdragen van journalisten beantwoorden vaak aan die voorwaarden. Toch is het regime niet enkel voor hen beschikbaar. Ook andere profielen binnen een mediamerk kunnen in aanmerking komen, voor zover zij originele werken creëren en de bijhorende rechten overdragen of in licentie geven met het oog op exploitatie. Taken van louter uitvoerende, administratieve of adviserende aard vallen in de regel buiten het toepassingsgebied.
Verschillen de regels tussen journalisten in loondienst en zelfstandige journalisten?
Het regime maakt fiscaal gezien geen onderscheid tussen journalisten in loondienst en zelfstandige journalisten. In beide gevallen zijn dezelfde regels van toepassing, al kunnen er in de praktijk verschillen bestaan op vlak van sociale zekerheid en contractuele invulling.
Speelt het contenttype of kanaal een rol?
Het contenttype en het medium zijn geen doorslaggevende factoren. Elke creatie die de auteursrechtelijke kwalificatie van een origineel werk verdient en waarvan de exploitatie in lijn met de voorwaarden verloopt, komt in aanmerking. Het kan gaan om geschreven bijdragen, audiovisuele content, podcasts of andere creatieve uitingen.
Hoe stabiel is deze regelgeving?
Gezien de vastgestelde misbruiken in het verleden en de politieke gevoeligheid errond, blijft deze regeling onderwerp van debat. Ze onderging de afgelopen jaren ook een aantal belangrijke wijzigingen.
Zo was er onder meer een hervorming in 2023, naar aanleiding van de Programmawet van 26 december 2022. Daarbij werden de toepassingsvoorwaarden aanzienlijk verstrengd, wat ook tot gevolg had dat computerprogramma’s in de praktijk buiten het toepassingsgebied vallen. Daarnaast maakten enkele nieuwe voorwaarden hun intrede, waaronder het relatief plafond.
Momenteel liggen verschillende wetsvoorstellen op tafel. Zo is er een wetsontwerp (17 december 2025) dat beoogt computerprogramma’s opnieuw onder het regime te brengen. Een ontwerp van Programmawet (23 februari 2026) omvat voorstellen om de toepassing van de forfaitaire kostenaftrek te beperken. Deze voorstellen zijn evenwel nog niet definitief en kunnen nog wijzigen.
Nood aan meer info of praktische ondersteuning? Neem gerust contact op met Karel Janssens en Mira Matagne van advocatenkantoor DE BANDT
LAS U DIT AL?